Historisch Genootschap Waddinxveen

Vertelbank 12: hoek Plasweg/Arie Kempkesweg

Voorzijde

 

Linksboven

Begin 1885 wordt in Ammerstol – als derde zoon van een timmerman – Pieter Dirk Stuurman  geboren. Hij treedt qua beroep in de voetsporen van zijn vader, trouwt in 1909 en krijgt een aanstelling als timmerman-opzichter in Westzaan. Als kort na de geboorte van zijn enige zoon zijn vrouw overlijdt, keert hij terug naar Ammerstol alwaar zijn ouders de zorg en opvoeding van de jongen op zich nemen.

Pieter zelf verhuist naar Waddinxveen, treedt opnieuw in het huwelijk en gaat aan de Brugweg in een nieuw, voor hem gebouwd huis wonen. Daar begint hij ook het architectenbureau dat later uitgroeit tot Stuurman en Partners.

P.D. was naast zijn arbeid als architect (toen nog een vrij beroep) liefhebber van paarden en pony’s. Die laatste hield hij tot op hoge leeftijd  onder de gewijde zorg van Gait Kortlever in een weiland bij zijn later gebouwde bungalow aan de Brugweg.

Zijn doorbraak als ontwerper kwam na zijn adviezen over het herstel van de fundatie van de toenmalige gasfabriek aan de Henegouwerweg. Internationale belangstelling kwam er na de opening van het zwembad aan de Kanaaldijk dat naar zijn ontwerp is gerealiseerd. Zelfs uit Japan kwam een delegatie om kennis te nemen van zo’n modern zwembad met diverse faciliteiten waaronder een deel met wedstrijdafmetingen.

Stuurman heeft tal van markante bouwwerken ontworpen die uitblinken in degelijkheid. Zo kwamen van zijn hand: de Muloschool aan de Kerkweg, de Willem-Alexanderschool aan de Oranjelaan, de Gereformeerde Kerk aan de Kerkweg, openbare scholen aan de Kerkweg-West en -Oost, de Dobbelmannfabriek aan de Noordkade, diverse andere kerken, watertorens in Bergambacht en Moordrecht en vele andere huizen en gebouwen.

Een aantal door hem ontworpen gebouwen heeft inmiddels de monumentenstatus gekregen. Voor zijn bijzondere werk en maatschappelijke betrokkenheid bleek veel waardering. Zo werd hij in 1961 geëerd met de Zilveren Eremedaille van Waddinxveen.

Pieter Dirk Stuurman bleef tot zijn dood betrokken bij het bureau maar droeg in 1961 de leiding ervan over aan T.W. Verwey. Stuurman overleed op 20 juni 1965 en werd in Bilthoven bij zijn tweede vrouw bijgezet.

Rechtsboven

Waddinxveen kende omstreeks 1900 twee grote aannemingsbedrijven waarvan er een was vernoemd naar de oprichter, Paul Rehorst. Deze werd in 1890 in Capelle aan den IJssel geboren. Na verhuizing van het gezin Rehorst naar Waddinxveen begon Paul in 1913 als eenpitter een metselbedrijf. Na zijn trouwen vestigt hij zich aan de Kerkweg, schuin tegenover de toenmalige Gereformeerde Kerk (foto).

Rehorst is een man van weinig woorden en hard werken die zes lange dagen in de week maakt. ’s Avonds tekent hij in zijn kantoortje voor opdrachtgevers. Hij krijgt door zijn instelling en kwaliteit van werken goede beoordelingen en steeds meer werk. Daarnaast krijgt hij ook te maken met grote tegenslagen, b.v. als in 1953 zijn vrouw overlijdt. Hij blijft de rest van zijn leven als weduwnaar ongehuwd achter onder de zorg van een nichtje van zijn overleden echtgenote. Rehorst blijft echter actief als bestuurslid van de Hervormde Schoolvereniging waar hij de lokale bevolking warm probeert te maken voor het christelijk onderwijs. Zijn bedrijf krijgt steeds meer opdrachten zoals de bouw van het oorlogsmonument, de Rehobothschool en een kleuterschool aan de Onderweg, de Eben-Haëzerschool aan de Jan Dorrekenskade, de winkelgalerij aan de Passage, het winkelcomplex met woningen aan de Groensvoorde, de Immanuelkerk, de ULO-school aan de Kerkweg en legio andere gebouwen en woningen.

In die tijd deed het gerucht de ronde dat het zopas opgeleverde oorlogsmonument weer afgebroken moest worden. Grote ontsteltenis en vragen waarom dat nou nodig was. De verklaring: “Rehorst heeft zijn pet onder het monument laten liggen”.

Na verloop van tijd zijn ook drie zoons actief in het bedrijf geworden en is het verhuisd van de Kerkweg naar de Noordkade naar een groot pand waarin ook de eigen timmerfabriek is gevestigd. Als Rehorst zich terugtrekt groeit het bedrijf onder de leiding van zijn zonen. Maar dan slaat het noodlot opnieuw toe: zoon Kees, pas 49 jaar, overlijdt plotseling in 1969. Zijn twee broers Gerard en Arie zetten het bedrijf voort maar als in 1973 het zestigjarig jubileum wordt gevierd, maakt de oprichter dat niet meer mee. Nederland bouwt er lustig op los want er is veel behoefte aan nieuwe woningen, scholen en bedrijfsgebouwen. Rehorst telt dan al zo’n 190 medewerkers  maar de expansie gaat door. In 1983 wordt het 70-jarig bestaan op bijzondere wijze herdacht: in plaats van een feest worden 25 schoolverlaters bij Rehorst binnengehaald om opgeleid te worden tot volwaardige bouwvakkers. Opnieuw verhuist de aannemingstak van het bedrijf, nu naar de Dorpstraat. De timmerfabriek blijft aan de Noordkade gevestigd. Als collega Peltenburg uit Schoonhoven aan Rehorst wordt toegevoegd telt het bedrijf ongeveer 230 medewerkers. Toch gaat er daarna  iets haperen in de bedrijfsvoering, er worden opdrachten onder kostprijs aangenomen om de werkgelegenheid te continueren. Uiteindelijk raakt het bedrijf zó in moeilijkheden dat het faillissement moet aanvragen. In afgeslankte vorm gaat het met 180 medewerkers over naar de bouwonderneming Adriaan van Erk te Bergambacht, waar het nog steeds onder de naam Rehorst actief is.

Linksonder

Bij de naam Dobbelmann denkt de lezer misschien eerder aan zeepproducten dan aan tabak. Maar hoewel Louis Dobbelmann (1837) in principe was voorbestemd om met een broer de zeepfabriek van hun vader in Nijmegen voort te zetten, bleek  de verhouding tussen de broers geen vruchtbare combinatie. Louis nam afscheid en vertrok in 1860 naar Amerika waar spoedig na zijn aankomst de burgeroorlog uitbrak. Dobbelmann sloot zich bij de Noordelijken aan, vocht dapper mee en bereikte de rang van officier. In 1865 naar Nederland teruggekeerd neemt hij de tabakszaak over van Van Woerden en Co aan de Hoogstraat te Rotterdam. Dobbelmann weet de zaak op energieke wijze uit te breiden en koopt voor zijn expanderende activiteiten de leeggekomen fabriek van de naastliggende en failliet gegane suikerfabrikant Van Oord. Hij brengt het bedrijf tot bloei met een reeks tabaksproducten en breidt uit met vestigingen in Amsterdam en Londen. Dobbelmann, die op 64-jarige leeftijd overleed, was de enige Dobbelmann die leiding gaf aan het bedrijf.

In 1940, als de kleinzoon Antoon Adriaan van der Heijden de directie voert, wordt Rotterdam gebombardeerd en gaan fabriek en kantoren verloren. Door tussenkomst van de Waddinxveense architect P.D, Stuurman (zie boven) kan al in datzelfde jaar een groot kavel aan de Noordkade  worden aangekocht en naar een ontwerp van diezelfde Stuurman een groot fabriekscomplex met kantoren in aanbouw genomen (foto) . Het is de bedoeling dat het binnen een jaar opgeleverd wordt omdat de bezetter plannen heeft met dit complex als productieruimte voor de oorlogsindustrie. Door allerlei tegenslagen (sabotage) duurt de bouw echter tot in 1943. Bij de oplevering wordt het door de bezetter gevorderd.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt de productie van tabakswaren hervat en onder de merken als Ibisshag en Amateursigaretten groeit het bedrijf uit  tot grote werkgever in ons dorp. Het veelal vrouwelijk personeel wordt via advertenties in de Waddinxveense Courant geworven met de slogan: “Meisjes kom bij Dobbelmann werken en breng gerust je moeder mee.” Het personeel kreeg naast het vastgestelde weekloon een kwantum sigaretten of shag mee als loon in natura.

Eind jaren vijftig nam de concurrentie van buitenlandse merken in rookwaren toe en ging het bedrijf een fusie aan met een producent in Dordrecht maar ten langen leste werd de hele productie verplaatst naar Drachten, in Friesland. Het grote complex werd gekocht door de Nederlandse Kabelfabrieken uit Delft dat weer onderdeel werd van het Philipsconcern . Nu is het fabriekspand verbouwd tot logistiek centrum van Van Uden; langs de Noordkade zijn de kantoren nog in oorspronkelijke staat aanwezig.

Rechtsonder

Tot het midden van de negentiende eeuw werd in Waddinxveen speelgoed gemaakt als een vorm van huisvlijt, door arbeiders die in de winter geen werk konden vinden. Dat speelgoed bestond uit diverse uit hout gezaagde, gedraaide of samengestelde onderdelen zoals een stokpaard, hobbelpaard, poppenwiegje of kinderwagentje.

Gerard Okkerse, in 1877 in Broek (deelgemeente van Waddinxveen) geboren, kreeg een praktijkopleiding in houtbewerking bij een heel klein speelgoedfabriekje aan de Wilhelminakade te Waddinxveen. Toen zijn baas failliet ging nam Matse voor honderd gulden (die had hij geleend) het bedrijf over en werd van knecht nu zelf ondernemer. Zijn werkplaats was niet veel groter dan een klein berghok.

Al snel werd een deel van zijn woonhuis betrokken bij de afwerking – verven en assembleren- van zijn producten. De eerste series – Matse wilde efficiënter werken door in kleine oplagen  te produceren – werden door hem per fiets naar Utrecht gebracht en aldaar afgeleverd. Het begin van een ontluikende massaproductie bleek een interessante verkoopprijs te bewerkstelligen en de volgende producties vonden gretig aftrek bij de diverse winkels. De zaken ontwikkelden zich voorspoedig zodat  er steeds moest worden bij- en aangebouwd om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen .

Omstreeks 1930 worden de afzonderlijke productieafdelingen in een nieuw gebouwde fabriek ondergebracht (foto) en de afdelingen vormgeving en techniek verder gemechaniseerd. Als zoon Cees in het bedrijf komt wordt het assortiment uitgebreid met huishoudelijke producten.

Aanvankelijk deed vader Gerard zelf de verkoop. Hij was daarmee zo succesvol dat in 1938 de fabriek weer verder kon uitbreiden. Speelgoed was vooral in die tijd een seizoensgebonden afzetartikel met grote drukte in de St.-Nicolaasperiode.

Na de Tweede Wereldoorlog beleefde het houten speelgoed een enorme hausse. Okkerse, die onder de merknaam Okwa opereerde, was een grote speler op die markt en misschien wel de grootste fabrikant van houten speelgoed in Nederland. De bekende winkeltjes en poppenhuizen waren populaire artikelen en vonden afzet in binnen- en buitenland.

Met de snelle ontwikkeling van het plastic speelgoed, dat bijna automatisch geproduceerd werd en een lage grondstofkostprijs had, werd de concurrentie allengs dermate groot, dat het bedrijf in 1974 de productie  moest stilleggen.

Achterzijde

Linksboven

Bij de wagenmaker Pieter van Schravendijk op de hoek Dorpstraat en Kerkweg meldt zich in 1898 ene Dirk Verheul als knecht, die bij zijn nieuwe baas inwonend wordt. Dirk geeft zijn ogen goed de kost, leert snel en is praktisch ingesteld. Én, Dirk heeft ambitie want na twee jaar ervaring in het vak opgedaan te hebben neemt hij de zaak van de even verderop in de Dorpstraat gevestigde wagenmaker Arie Littooy over; hij huurt het pand van Littooys weduwe.

De zaken gaan goed en al na drie jaar koopt Verheul het woonhuis en de erachter liggende werkplaats (waar anno 2021 de fietsenzaak van Wielaard gevestigd is). De van hout geproduceerde tilbury’s, wagens en sjezen moesten door de smalle poort langs zijn woonhuis de openbare weg op.

De ontwikkelingen gaan door, reden waarom overgeschakeld wordt op de metalen carrosseriebouw van auto’s en bussen. De eerste serie van vijf bussen werden geleverd aan de Gebr. Buitelaar uit ons dorp, die een autodienst onderhielden naar Boskoop en Rotterdam. In 1931 wordt aan de Kleikade een nieuwe productiehal gebouwd om de groeiende activiteiten  te kunnen realiseren. Hout is inmiddels uit, plaatstaal is de toekomst. Daarom doopt Verheul zijn bedrijf om tot N.V. Carrosseriefabriek Verheul.  Hij krijgt een grote order van de gemeente Arnhem voor de opbouw van trams.

De vraag naar carrosserieopbouw neemt hard toe. Uitbreiding aan de Kleikade zit er niet in, maar in 1938 koopt Verheul een groot terrein aan de Henegouwerweg (naast de afrit van de huidige Coencoopbrug) . Hij bouwt er een grote productiehal met kantoren die naast de Kleikadefabriek dan de hoofdvestiging wordt.

In 1950 wordt het vijftigjarig jubileum groots gevierd met de ongeveer vijfhonderd medewerkers die het bedrijf en directie een gedenkraam cadeau doen. (Nu in depot bij het HGW).

Het succes van Verheul ligt in het feit dat het bedrijf al vroeg is begonnen met de bouw van bussen met een zelfdragende carrosserie. Dat gaf enorme voordelen in de kosten van arbeid en materiaal. Zo kon in Apeldoorn een derde fabriek gevestigd worden. Maar ook hier gaat niet alles voor de wind want omstreeks1960 slaat de stagnatie in de afzet van Verheulbussen toe en wordt het bedrijf ingelijfd door het Britse A.E.L. Ltd. dat later weer door British Leyland wordt overgenomen. Na een grote brand in 1970 wordt het pand herbouwd maar dan is de productie van bussen eigenlijk al beëindigd.

Rechtsboven

Cornelis Peter Broer wordt in 1877 aan de Zuidkade te Waddinxveen geboren als derde zoon van bakker Klaas Broer. In december 1905 trouwt hij met een dochter van meubelfabrikant F.J. Modderkolk. Het jonge paar vertrekt direct na de jaarwisseling naar Maassluis waar het een bakkerij heeft gekocht. Zo treedt Broer als bakker in de voetsporen van zijn vader.

Het is hard en lang werken voor een bakker. ’s Morgens vroeg brood bakken, het daarna uitventen en ’s middags, na een korte pauze, is het tijd voor koek en banket. Voor dat laatste produceerde elke bakker zelf zijn ingrediënten zoals spijs en marsepein. De spijs voor banketkoekjes als Weesper moppen en bitterkoekjes en voor vulling in gevulde koeken en rondo’s. De marsepein voor gebak en taartversiering.

Als Cor in 1917 een keer een calculatie maakt voor wit- en bruinbrood, ontdekt hij dat er geen brood met brood valt te verdienen. Omdat hij over goede receptuur beschikt, maakt hij meer spijs dan voor eigen gebruik nodig is en verkoopt dat meerdere vervolgens aan zijn collega’s in het Westland. Door zijn grootschalige aanpak blijkt dit een beter verdienmodel te zijn dan de broodbakkerij. Daarom verkoopt Cor in 1919 zijn bakkerij en keert hij terug naar zijn geboorteplaats. Vanaf januari 1920 produceert hij daar aan de Noordkade in een bescheiden fabriekje diverse spijssoorten. Hij spreekt de bakkerstaal, maakt kennelijk kwaliteitsproducten en weet zo zijn spijs gemakkelijk te slijten. Het jonge bedrijf beleeft een groeispurt. Als in 1923  de aan de Kerkweg gevestigde stoelenfabriek Excelsior van Radder te koop staat, koopt Cor dit karakteristieke pand en verbouwt het tot een geschikte productieruimte. De omzet stijgt: Broer wordt een begrip in de Nederlandse bakkerijwereld.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog komt het bedrijf van lieverlede stil te liggen omdat de aanvoer van grondstoffen stagneert en suiker als belangrijk element in alle receptuur niet in voldoende mate te krijgen is. Na de Bevrijding  kwam het gewone leven beetje bij beetje weer op gang maar de levering van suiker en andere grondstoffen is mondjesmaat en wordt op toewijzing verdeeld. De bakkers leveren hun suikertoezegging in voor een bepaalde hoeveelheid spijs. Uit heel Europa komen aanvragen voor spijs, marsepein en fondant maar om bovenstaande redenen kan niet geleverd worden. Inmiddels wordt het bedrijf voortgezet door de tweede generatie en op grond van de goede naam en kwaliteit van de producten is er een gezonde groei bij de binnenlandse ambachtelijke bakkerij.

In het westen wordt met eigen vertegenwoordigers  gewerkt en in de rest van het land met een groot aantal grossiers. In de jaren zeventig treedt de derde generatie aan; die gaat zich meer  toeleggen op de afzet aan grote industrieën die gericht zijn op het groeiende aantal supermarkten. Daarnaast wordt de productie van gebakpoeders opgeschaald omdat een verdere groei in spijs voor de binnenlandse markt bij een vrij groot marktaandeel een onrealistisch scenario is. In 1990 wordt een nieuwe gebakpoederlijn annex distributiecentrum in Coenecoop betrokken. De economische eenwording in Europa biedt kansen voor export maar dat onder eigen naam realiseren is  een brug te ver.

Broer Bakkerijgrondstoffen levert speciaal samengestelde producten  onder private label aan grote buitenlandse partijen. Zo ook aan een Unileverdochter in Duitsland en omdat Unilever zijn portfolio van margarines voor de bakkerij wil uitbreiden, komt in 1990 de overname  en inlijving van Broer tot stand. Met alle mondiale vestigingen moet dat nieuwe kansen voor Broer gaan bieden. Maar binnen Unilever komt na enige jaren een reorganisatie op gang  die het aantal merken en activiteiten moet gaan reduceren en slechts ruimte laat voor producten met flink hogere marges dan in de bakkersland gewoon is. Alle bakkerijactiviteiten worden afgestoten en ook Broer gaat in andere handen over. Inmiddels was in 1995  de spijsfabriek van de Kerkweg al verhuisd naar een nieuwe en moderne fabriek op Coenecoop naast het distributiecentrum. De poederfabriek gaat dan ook mixen voor de ijsfabricage maken en dat neemt een hoge vlucht. Spijs en ijs blijken elkaar goed te matchen door de verschillende seizoenspieken.

In 2018 gaat het bedrijf over in handen van de Orklagroep uit Zweden die al eerder Sonneveld uit Papendrecht had overgenomen. Dat bedrijf is gespecialiseerd in producten voor de broodbereiding. Waar Broer specialist is op het gebied van banket, vormen beide bedrijven nu een sterke combinatie voor de levering aan de bakkerij. Beide bedrijven hebben een gespecialiseerde productiefaciliteit en werken samen onder de naam Sonneveld.

Linksonder

Een van de belangrijke meubelfabrieken in het Waddinxveen van de twintigste eeuw was die van de in 1882 geboren Otto Matse. Hij begon als meubelmaker een bedrijfje aan de Wilhelminakade te Waddinxveen. Al snel weet hij de productie te mechaniseren, de omzet te laten groeien en bouwt en verbouwt constant om te  voldoen aan een groeiende vraag. Voor eigen behoefte bouwt hij zelfs een nieuwe fabriek langs de Gouwe alwaar hij een glasslijperij en spiegelfabriek vestigt. Dit gebouw heeft inmiddels een andere bestemming maar staat er heden ten dage nog steeds, vlakbij het Gouweaqaduct. De ambities van Otto Matse in die tijd zijn duidelijk: groei!

In 1914 wordt aan de Noordkade de kurkwarenfabriek van Vermeulen en Co door brand verwoest. Na herbouw staat er voor die tijd een grote moderne fabriek naar een ontwerp van P.D. Stuurman, de Waddinxveense architect, die hierboven al ter sprake kwam. Het bedrijf van Vermeulen gaat mede als gevolg van de brand failliet, het pand staat enige jaren leeg. Otto Matse ziet zijn kans schoon en weet het in 1926 te kopen. Hij verhuist zijn volledige productie van de Wilhelminakade naar de Noordkade (foto) waar hij verder kan uitbreiden. Met die expansie loopt het personeelsbestand op tot ongeveer vijfhonderd medewerkers, waarmee het bedrijf een van de grootste werkgevers van ons dorp is geworden.

Vóór de fabriek bouwt Matse een grote villa, hij sloopt zijn oude gebouwen van de meubelproductie en vestigt zich metterwoon bij zijn nieuwe fabriek. De glasslijperij en spiegelfabricage aan de Wilhelminakade worden door Jacob van Dijken in 1933 als zelfstandige onderneming, in het pand van zijn huisbaas en grote afnemer, aan de Noordkade gecontinueerd.

Bij een tragisch ongeval raakt Otto Matse in 1951 aan de Henegouwerweg met zijn auto te water en komt daarbij om het leven. Bij gebrek aan een adequate opvolging betekent dat tevens het einde van deze grote meubelfabriek.

Rechtsonder

In de periode tussen 1850 en 2000 heeft Waddinxveen wel dertig bedrijven in de houtverwerking gehad. Enkele daarvan  groeiden uit tot grote meubelfabrieken met meer dan tweehonderd medewerkers, eigen showrooms en andere relevante faciliteiten.

Zo ook ging het met Arie Kempkes ( 1884) die als schilderszoon een klus kreeg aan het huis van Jongenburger aan de Nesse. Diens dochter kreeg een oogje op de jonge energieke Arie wat ertoe leidde er toe dat het stel in 1905 in het huwelijk trad. Kempkes koopt het huis van zijn schoonvader, gaat er wonen en begint als zelfstandig ondernemer achter de woning een meubelfabriek. De ambitieuze jongeling weet de zaken voortvarend aan te pakken en zo komt in 1912 het groeiende bedrijf letterlijk en figuurlijk echt op stoom. Dan moet uiteraard de bedrijfsnaam worden aangepast met  Stoommeubelfabriek. Tien jaar later mag Kempkes zich tot de grotere meubelfabrieken rekenen totdat in 1931 de fabriek door brand wordt verwoest. Maar nog in datzelfde jaar wordt aan de Zuidkade in een nieuw gebouwde fabriek de productie hervat. Weliswaar krijgt het bedrijf een paar moeilijke jaren maar het weet onder de merknaam Multi-Lux de opgaande lijn weer op te pakken.

Kempkes maakt kennelijk een kwaliteitsproduct want hij verwerft opdrachten voor levering aan  paleis Soestdijk en het paleis op de Dam te Amsterdam.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog mag het bedrijf van de bezetter blijven produceren omdat de behoeft aan meubelen te belangrijk bleek. Zo kon het de meeste werknemers in die tijd in dienst houden.

Arie, die in 1949 de leiding heeft overgedragen aan de zoons Huibert en Henk, overlijdt in 1956 op 73-jarige leeftijd, net een maand voor het vijftigjarig bestaan. Het bedrijf weet de afzet enorm te vergroten door te exporteren naar België, Frankrijk en Engeland. Als dan de collectie verder wordt uitgebreid met Formulemeubelen, krijgt de onderneming vleugels. Er wordt steeds aan uitbreiding van de capaciteit gewerkt waarvoor in 1957 de collega Modderkolk en Dijs Stoommeubelfabriek aan de Kerkweg wordt overgenomen. Voorts opent Kempkes toonzalen in Amsterdam, Weert, Brussel, Luxemburg en Lille.

Vanaf 1960 neemt de concurrentie uit het buitenland hand over hand toe. Buitenlandse bedrijven ontvangen nogal  eens overheidssteun en de Nederlandse producenten komen in zwaar weer. Veel fabrieken schakelen over van productie en verkoop naar inkoop en verkoop via de eigen toonzalen. Om in hun eigen behoefte van orgelkasten te voorzien neemt de orgelfabriek N.V. Vreeken uit Bodegraven (Van de Eminentorgels) alle activiteiten van Kempkes over en bouwt een nieuwe fabriek aan de Staringlaan .

Maar ook de orgelfabriek komt door stagnatie van de afzet in grote problemen en dan moet in 1984 Kempkes Meubelfabrieken alsook Eminent Electronics het faillissement aanvragen en verliezen ongeveer tweehonderd medewerkers hun baan.


Cultuurhistorie van de Parel aan de Gouwe